Woordenboek Baarmoeder (uterus): dik, peervormig orgaan in de buikholte van vrouwen. Is bekleed met een laag cellen (endometrium) die reageren op de wisselende hormonale stimulering tijdens de menstruele cyclus. De baarmoeder draagt en voedt de zich ontwikkelende foetus tijdens de zwangerschap. Bij de bevalling trekken de spieren van de baarmoeder samen en drijven zo het kind uit het lichaam van de moeder. Baarmoederhals: het onderste uiteinde van de baarmoeder, dat dient als doorgang tussen de vagina en de baarmoeder. Baarmoederslijmvlies (endometrium): het slijmvlies in de baarmoeder. Het endometrium wordt dikker naarmate de menstruele cyclus vordert als voorbereiding op een bevruchte eicel. Als er geen bevruchting plaatsvindt, wordt het endometrium afgestoten tijdens de menstruatie. Barrièremiddelen: barrièremiddelen zijn voorbehoedmiddelen die voorkomen dat zaadcellen de baarmoeder binnenkomen. Sommige, maar niet alle, barrièreiddelen bieden bescherming tegen seksueel overdraagbare aandoeningen (soa’s). Er zijn verschillende soorten barrièremiddelen: het pessarium, het mannen- en het vrouwencondoom en de vaginale zaaddodende middelen. Bevruchting: het versmelten van een zaadcel met een eicel. De bevruchting vindt plaats in één van de eileiders van de vrouw. Buitenbaarmoederlijke zwangerschap: abnormale ontwikkeling van een bevruchte eicel buiten de baarmoederholte, meestal in een eileider.
Candida: schimmelinfectie; kan door seks worden overgedragen, maar behoort niet tot de seksueel overdraagbare aandoeningen (soa’s). Chlamydia: benaming van een seksueel overdraagbare aandoening (soa), die – indien onbehandeld – de vruchtbaarheid kan aantasten. Climacterische klachten: klachten en symptomen die in meer of minder ernstige vorm kunnen optreden tijdens het climacterium. Het betreft voornamelijk het ongeregeld worden van de menstruaties (in de premenopauze), en in een later stadium onder andere opvliegers en zweetaanvallen. De klachten worden veroorzaakt door het wegvallen van de lichaamseigen aanmaak van oestrogenen. Climacterium: leeftijdsperiode behorend bij het einde van de vruchtbaarheid van de vrouw (de ‘overgang’). Kenmerkt zich door het onregelmatig worden van de menstruaties (premenopauze), uiteindelijk het geheel ophouden van de menstruatie (de allerlaatste menstruatie wordt ‘menopauze’ genoemd) en de periode daarna, de zogenaamde postmenopauze. Grofweg gaat het om de periode van het 45e tot 60e levensjaar. Combinatiepil: bevat een oestrogeen en een progestageen die zwangerschap voorkomen door de ovulatie tegen te gaan. Van de orale anticonceptiemiddelen wordt de combinatiepil het meest gebruikt. Coïtus: geslachtsgemeenschap. Coitus interruptus: beter bekend als ‘voor het zingen de kerk uit’. Terugtrekken van de penis uit de vagina voor de zaadlozing. Zeer onbetrouwbare methode van anticonceptie. Conceptie: bevruchting (zie aldaar). Condoom: barrièremiddel ter voorkoming van zwangerschap. Zie mannencondoom resp. vrouwencondoom. Contra-indicatie: ‘tegenindicatie’ – medische reden om een middel niet te mogen gebruiken resp. een handeling niet te mogen uitvoeren.
Double Dutch: benaming voor ‘dubbele’ methode van anticonceptie: de Pil én het condoom. Hiermee bedoelt men zowel zwangerschap als een seksueel overdraagbare aandoening (soa) te voorkomen. Drospirenon: een synthetisch progestageen met speciale gunstige eigenschappen. Komt voor in een moderne anticonceptiepil. Druiper: zie gonorroe. Dysmenorroe: abnormaal moeilijke of pijnlijke menstruatie.
Ectopische zwangerschap: zie Buitenbaarmoederlijke zwangerschap Eierstokken: vrouwelijke organen die periodiek eitjes (ova) en geslachtshormonen zoals oestrogenen en progesteron aanmaken. De twee eierstokken bevinden zich aan weerszijden van de baarmoeder. Eileiders: de verbindingskanalen tussen de baarmoeder en de twee eierstokken. De eileiders vervoeren eicellen naar de baarmoeder; in een van de twee eileiders vindt de bevruchting door een zaadcel plaats. Embryo: het stadium van een bevrucht eitje tussen de conceptie tot en met week 8. Na week 8 spreekt men van een foetus. Endometriose: goedaardige woekeringen van baarmoederslijmvlies buiten de baarmoeder, die kunnen leiden tot ernstige pijn in het bekken, vaak rond de tijd van de menstruatie. Endometrium: het slijmvlies van de baarmoeder. Het endometrium wordt dikker naarmate de menstruatiecyclus vordert als voorbereiding op een bevruchte eicel. Als er geen bevruchting plaatsvindt, wordt het endometrium afgestoten tijdens de menstruatie. Endometriumhyperplasie: een bovenmatige groei van het baarmoederslijmvlies (endometrium). Dit kan abnormale menstruele bloedingen veroorzaken en kan een voorstadium van kanker worden. Ethinylestradiol: synthetisch oestrogeen hormoon in de anticonceptiepil.
Ferritine: een ijzerbevattend eiwit dat een rol speelt in het opslaan van ijzer in het lichaam. Foetus: het stadium van een bevruchte eicel vanaf het einde van de achtste week na bevruchting tot aan de geboorte. In de eerste 8 weken wordt het groeistadium een embryo genoemd. Follikel (Graafse follikel): een met vocht gevuld blaasje in de eierstokken dat zich ontwikkelt onder invloed van een hormoon (follikelstimulerend hormoon, FSH) gedurende de menstruatiecyclus. Als de follikel uiteindelijk barst, komt een eicel vrij (ovulatie) die zich dan door een van de beide eileiders verplaatst naar de baarmoeder.
Geslachtsziekten: seksueel overdraagbare aandoeningen (zie bij soa’s). Van de anticonceptiemiddelen bieden alleen de barrièremiddelen hiertegen bescherming; zie ook ‘Double Dutch’. Gestodeen: synthetisch progestageen in diverse anticonceptiepillen. Gonorroe: geslachtsziekte, seksueel overdraagbare aandoening (soa); ook druiper genoemd.
Hepatitis B: virusinfectie die de lever aantast. Kan o.a. door geslachtsverkeer worden overgedragen. Herpes: virusinfectie, zich uitend als blaasjes op huid en slijmvliezen. Men spreekt van herpes genitalis indien de uitwendige genitaliën zijn getroffen. HIV: humaan immunodeficiëntievirus; veroorzaakt aids (zie aldaar). Hormonale anticonceptie: het gebruik van hormonen om zwangerschap te voorkomen. Het meest bekende hormonale anticonceptiemiddel is de anticonceptiepil; maar ook de prikpil, de minipil, het hormoonimplantaat, de hormoonpleister, de vaginale ring en het hormoonspiraaltje vallen onder deze noemer. Hormoon: een lichaamseigen stof die in een klier wordt aangemaakt (bijv. de eierstokken, zaadballen, hypofyse, pancreas, schildklier, etc.). Hormonen worden verspreid via het bloed en beïnvloeden en reguleren de activiteit van bepaalde organen. Hormoonimplantaat: een door de arts onder de huid aan te brengen staafje met hormonen, dat drie jaar lang zwangerschap voorkomt. Hormoonpleister: huidpleister met hetzelfde soort hormonen als in de anticonceptiepil; iedere week moet een nieuwe pleister worden geplakt; drie weken lang, dan een week stoppen, enz. Hormoonspiraaltje: klein voorwerp van kunststof dat door de arts in de baarmoeder wordt geplaatst. Daar geeft het een hormoon (levonorgestrel) af dat ervoor zorgt dat het baarmoederslijmvlies niet geschikt is voor een zwangerschap. De hoeveelheid hormoon die dagelijks in het lichaam terechtkomt is 20- 60 maal lager dan bij de Pil. Eenmalige plaatsing voorkomt zwangerschap gedurende vijf jaar. Hormoonsubstitutietherapie: heeft als doel hormonen te geven wanneer de lichaamseigen aanmaak is verminderd of helemaal gestopt (zie ook perimenopauze, postmenopauze), en wanneer dat aanleiding geeft tot overgangsklachten. Het gaat vooral om substitutie van oestrogeen hormoon ter verlichting van klachten als vaginale droogte, opvliegers en transpiratieaanvallen. Oestrogenen voorkomen tevens het ontstaan van botontkalking (osteoporose). Soms is gelijktijdige toediening van een progestageen hormoon nodig. Hypermenorroe: overmatige menstruatie; te sterk of te langdurig. Hypertensie: hoge bloeddruk. Hypomenorroe: te geringe menstruatie. Hysterectomie: operatieve verwijdering van de baarmoeder (‘hysteron’ [Grieks voor baarmoeder], en ‘ektome’ [Grieks voor uitsnijding]).
IUD: afkorting van ‘intrauterine device’ (voorwerp in de baarmoeder); benaming voor het spiraaltje. Zie hormoonspiraaltje of koperspiraaltje.
Kalendermethode: zie periodieke onthouding. Koperspiraatje: klein voorwerp van kunststof met een koperdraadje in spiraalvorm. Wordt door de arts in de baarmoeder geplaatst, waar het een reactie uitlokt waardoor zaadcellen minder beweeglijk worden. Eenmalige plaatsing voorkomt zwangerschap gedurende drie tot vijf jaar.
Lactatie: borstvoeding. Laparoscopie: bekijken van de buikholte met een laparoscoop – een medisch instrument bestaande uit een buisje dat door de buikwand in het lichaam gebracht wordt, met ingebouwde verlichting zodat de arts de inwendige organen kan bekijken. Levonorgestrel: synthetisch progestageen. Stof die voorkomt in bepaalde anticonceptiepillen en ook in het hormoonspiraaltje.
Mannencondoom: barrièremiddel van latexrubber. Wordt voor de coïtus om de penis aangebracht ter bescherming tegen soa’s en om bevruchting te voorkomen. Menarche: de allereerste menstruatie. Menopauze: de laatste natuurlijke menstruele bloeding, die meestal optreedt bij vrouwen tussen de 48 en 55 jaar. De follikels in de eierstokken stoppen met de aanmaak van eicellen De aanmaak van oestrogeen neemt daardoor af. Deze verminderde aanmaak van oestrogenen kan typische overgangsklachten veroorzaken, zoals opvliegers en zweetaanvallen. Menorragie: overvloedig bloeden tijdens de menstruatie (> 80 ml/maand) Menstruatie (ongesteldheid): de menstruatie of ongesteldheid, verwijst naar de dagen dat een vrouw aan het einde van de maandelijkse cyclus bloedingen heeft door het afstoten van het endometrium. De menstruatie duurt gemiddeld 5 dagen. Menstruatiecyclus: de zich herhalende cyclus van veranderingen in het baarmoederslijmvlies (endometrium). Het endometrium wordt afgestoten tijdens de menstruatie. Daarna groeit het weer aan, wordt dikker, wordt tijdens de ovulatie een aantal dagen in stand gehouden en wordt dan afgestoten bij de volgende menstruatie. De gemiddelde lengte van de cyclus, vanaf de eerste dag van de menstruatie tot de eerste dag van de volgende menstruatie, is gemiddeld 28 dagen. De lengte en de aard van de cyclus kunnen per vrouw nogal verschillen. Migraine: ernstige, kloppende hoofdpijn, meestal alleen aan één zijde van het hoofd. Minipil: een oraal anticonceptiemiddel met uitsluitend progestageen voor vrouwen die geen oestrogenen mogen hebben, zoals moeders die borstvoeding geven. Morning-afterpil: noodoplossing na mislukte anticonceptie of onbeschermde coïtus, met hoge doses hormonen. Myoom: vleesboom in de baarmoeder; goedaardig gezwel van spierweefsel.
Oestrogenen: hormonen die zorgen voor de ontwikkeling en instandhouding van de secundaire geslachtskenmerken bij vrouwen (zoals de ontwikkeling van de borsten). Oestrogenen spelen een belangrijke rol bij de voortplanting. Ze worden hoofdzakelijk aangemaakt in de eierstokken. Oligomenorroe: menstruaties met te lange tussenpozen. Oraal anticonceptiemiddel: beter bekend als de ‘Pil’. Een van de meest betrouwbare, omkeerbare voorbehoedmiddelen. Orale anticonceptiemiddelen bevatten hormonen die voorkomen dat de eierstokken een eicel vrijgeven. Zonder eicel kan er geen conceptie (bevruchting) plaatsvinden. Osteoporose: een ziekte waarbij de botten verzwakken en sneller breken. Kan optreden tijdens het verouderingsproces, vooral bij vrouwen. Het wordt gekenmerkt door een verlies aan botmineralen en een afname van botstabiliteit. Treedt vooral op bij vrouwen na de menopauze. Ovarium: eierstok. Ovaria = eierstokken (zie aldaar). Overgang: ‘de overgang’ – zie climacterium. Ovulatie: de eisprong; het vrijkomen van een rijpe eicel (ovum) uit een eierstok. Gebeurt ongeveer iedere 4 weken, in het midden van de menstruatiecyclus, circa 14 dagen voor het begin van de volgende menstruatie.
Papillomavirus: dit virus veroorzaakt wratten, ook aan de genitaliën. Zeer besmettelijk (door seks of gewoon aanraken). Partus: bevalling, baring. Pelvic inflammatory disease (PID): staat voor een groep symptomen die wijzen op een infectie van het voortplantingssyteem van de vrouw. PID kan ernstige gevolgen hebben voor de vruchtbaarheid. Periodieke onthouding: zogenaamde natuurlijke methode van geboorteregeling, waarbij er geen geslachtsgemeenschap plaatsheeft gedurende de vruchtbare dagen van de vrouw. Pessarium: voluit pessarium occlusivum. Anticonceptiemiddel; ringvormig rubberkapje dat de toegang tot de baarmoeder afsluit en ontoegankelijk maakt voor zaadcellen. Pil (orale anticonceptie): één van de meest betrouwbare, omkeerbare anticonceptiemiddelen. Orale anticonceptiemiddelen bevatten hormonen die voorkomen dat uit de eierstokken een eicel vrijkomt. Zonder eicel kan er geen conceptie (bevruchting) plaatsvinden. PMS: zie premenstrueel syndroom. Polymenorroe: menstruaties met te korte tussenpozen. Postmenopauze: periode in het leven van de vrouw na de allerlaatste menstruatie. Premenopauze: periode in het leven van de vrouw voorafgaand aan de laatste menstruatie, wanneer de eierstokken geleidelijk aan minder oestrogenen vormen. Wordt gekenmerkt door het onregelmatig worden van de maandelijkse menstruele cyclus, en het eventueel optreden van climacterische klachten. Premenstrueel syndroom (PMS): bijna alle vrouwen die menstrueren, ervaren symptomen voor ze ongesteld worden. Bij sommige vrouwen kunnen deze symptomen vrij ernstig zijn, waarbij er sprake is van een combinatie van emotionele en fysieke factoren. Emotionele symptomen zijn onder meer woede, onrust, verwarring, stemmingswisselingen, spanning, huilen, depressie en concentratiegebrek. Fysieke symptomen zijn een opgezwollen gevoel, gespannen borsten, vermoeidheid, verstopping, hoofdpijn en onhandigheid. Prikpil: geen ‘pil’, maar een (driemaandelijkse) injectie van een progestageen hormoon. Progesteron: een hormoon in het lichaam van een vrouw dat helpt de baarmoeder voor te bereiden op een zwangerschap. Progestagenen: een groep synthetische hormonen die één of meer activiteiten met progesteron gemeen hebben.
Seropositief: besmet met het HIV-virus (zie aldaar). Soa’s: seksueel overdraagbare aandoeningen; geslachtsziekten. Hiertoe behoren bijv.: aids, Chlamydia-infectie, druiper (gonorroe), hepatitis B, herpes genitalis, infectie met papillomavirus, syfilis, trichomoniasis. Spiraaltje: zie hormoonspiraaltje of koperspiraaltje. Sterilisatie: medische ingreep bij vrouwen (afsluiten van de eileiders) of mannen (afsluiten van de zaadleiders) waardoor bevruchting en daarmee zwangerschap wordt voorkomen. Syfilis: ernstige seksueel overdraagbare aandoening (soa); geslachtsziekte.
Temperatuurmethode: zogenaamde natuurlijke methode van geboorteregeling. Gaat ervan uit dat de lichaamstemperatuur van de vrouw 1-2 dagen na de eisprong licht omhooggaat. Op basis daarvan kan de ‘veilige’ resp. ‘onveilige’ periode worden berekend. Niet erg betrouwbare methode. Trichomoniasis: infectie van de geslachtsorganen; wordt doorgaans (maar niet altijd) overgedragen door seks. Trombose: de vorming of aanwezigheid van een trombus, een prop gestold bloed; vaak verhindert deze een normale bloeddoorstroming. Tubacoagulatie: methode van sterilisatie bij de vrouw. Hierbij wordt een stuk van de eileiders via een laparoscopische ingreep met stroom gecoaguleerd.
Uterus: baarmoeder. Dik, peervormig orgaan in de buikholte van de vrouw. Is bekleed met een laag cellen (endometrium) die reageren op de wisselende hormonale stimulering gedurende de cyclus. De baarmoeder draagt en voedt de zich ontwikkelende foetus tijdens de zwangerschap. Bij de bevalling trekken de spieren van de baarmoeder samen en drijven zo het kind uit het lichaam van de moeder.
Vagina: het gedeelte van het vrouwelijke geslachtskanaal dat van de vulva (uitwendige schaamdelen) naar de baarmoederhals loopt. De vagina van een vrouw is bij rust ongeveer 7,5 cm lang en kan aanzienlijk uitrekken tijdens geslachtsgemeenschap en een bevalling. Vaginale ring: vaginaal voorbehoedmiddel van kunststof met hormonen. Wordt door de vrouw zelf in de vagina geplaatst. Vasectomie: sterilisatie bij de man. Via een kleine ingreep wordt uit beide zaadleiders een stukje verwijderd. Veneuze trombose: bloedklonter in de aders Vrouwencondoom: barrièremiddel van kunststof (polyurethaan), veel steviger dan het mannencondoom. Wordt voor de coïtus in de vagina ingebracht.
Zaaddodende middelen: crèmes en gels; worden als voorbehoedmiddel gebruikt in combinatie met een barrièremiddel; alléén gebruikt zijn ze onvoldoende betrouwbaar.
|
||||||